|
Mariënburg en Rust en werk plantages waarvan ik bijzondere herinneringen koester
Door: P.P. Mangoenkarso
In mijn jeugd jaren, toen ik tussen zes en 8 jaar oud was, verbleef ik een aantal keren tijdens de school vakanties op Mariënburg. Een tante (wijlen bih Karsiwen) van moeders kant woonde samen met haar echtgenoot (wijlen mang Pairin) op de plantage. Haar echtgenoot kwam van Johanne Margaretta. Als ik mij niet vergist woonde ze aan de Saramaccastraat of de Surinamestraat. Als ik nu heen ga weet ik weer waar het was, maar de staartnaam kan ik me nu niet meer zo goed herinneren. Het is de straat voor het voormalige ziekenhuis als je vanaf de stad Mariënburg in komt. In dat ziekenhuis was ik ooit op bezoek geweest ten mijn tante daar voor behalndelling lag. Mijn oom en tante woonden in contractarbeiders barak waarvan onderverdeeld is in drie compartimenten. Het huis was heel klein. Achter het huis bevond zich de kamar ketjil of wel kamar mandi. De kamar ketjil was wel beschut maar had geen dak. Nu bedenk ik me dat waarschijnlijk de achterburen wel kunnen zien wie een bad neemt. Soms is er door de droogte geen badwater, dan haalde mijn oom en badwater ergens vandaan. Ook andere gezinnen deden dat.
De term daarvoor is “ngangsoe”. De kakos lag midden rechtsvoor. De voorbuurman heette mang Toekiran, had een kind en was net gescheiden. Een van de buurvrouwen heette bih Soerip. Even verderop heeft ze een familielid dat heette mang Sukidjo. In de straat waar mijn tante woonde dreef een Javaanse oma een winkel en daar kocht ik vaak samen als ik me nu kan herinneren met Sombro en Mia dat waren kinderen van bih Soerip zuurwater. Op de hoofdweg, ongeveer ter hoogte van het grote woonhuis van de directeur van de plantage Mariënburg, viste ik samen met Sombro en Mia op krobia en iwa wader.
Wat mij opviel was dat de vishaak van kopnaald (dombundel) wordt gemaakt. De aas was gekookt rijst (sego). Leuk was ook om eten brengen voor mijn oom. Kono pamane di kirim nang pabrik zegt mijn tante dat. En zo stond ik voor de ingang van de fabriek van Mariënburg suikerfabriek met een tarang vol met eten voor mijn oom die avond dienst had in de hand. Je hoort de bel als een teken van pauze “schafte” en enige minuten later verschijnt mijn oom. Foto van de bel is te zien in een van mijn artikelen. Mariënburg was in mijn beleving gezellig “regeng”. In de buurt waar de spoorlijnen elkaar kruisten vanuit Bakdam (Kebang Gedang), suikerfabriek (Pabrik Gulo) en richting van de markt (Leliendaal, maar waarschijnlijk Santen genoemd) waren er veel warrungs.
Op die kruising heb ik ook suikerriet stengels van de locomotief weggehaald om er van te eten. Bij de oogst van het suikerriet wordt het veld in de fik gestoken (di bong) en daardoor heeft de suikerrietstengel een bijzondere smaak gekregen. Bij het weghalen van rietstengels uit de locomotief moet wel uitgekeken worden of de wachters niet in de buurt waren. Ter hoogte van Kampong Sawa had ik samen met een jongere broer van mijn oom een handgedreven locomotief, ook wel trollie genoemd, die op de spoorbaan onbeheerd was, gereden.
Film kijken was in de filmzaal. Ik herinner me nog dat de stoelen hetzelfde waren als de eetstoelen die destijds in de mode waren. We hadden soms geen geld, dus zochten we een manier om naar binnen te gaan. Borro! of Bolongan. Op het voetbalveld van kampong Sawa keken we tijdens een oefen en wedstrijd naar voetbal. Op kampong Sawa sliep ik ook bij wijlen mang Sakidjo en Ju Sineng. Ju Sineng is een zus van mijn oom Pairin. Mang Sakidjo is van oorsprong afkomstig uit Kampong Baroe, volgens de overlevering geboren in Oost-Indië en bih Sineng is een oudere zus van mijn oom Pairin.
Als je de Suriname/Saramaccastraat straat afloopt komt je de spoorbaan tegen en hier bevindt de markt van Mariënburg. Op de markt ontmoette ik ook de oma van wijlen Moedjimin en Sari, mba Darma wedok. Ze was duidelijk heel blij om mij te zien ka ik me nog herinneren. Zij verkocht iwa malem. Ik heb gehoord dat ik en ook mijn moeder bij mba Darma op Nieuw Amsterdam woonde toen ik nog heel klein was. Bronnen vertelden me dat wijlen mijn moeder samenwoonde met Moedjimin en Saries vader, Djemu.
Rust en Werk
Van Rust en Werk hoorde ik uiteraard van jongens van Siswatama die van daar kwamen. Namen zoals Marjadi, Jan en Legiman. Maar ik kende Rust en Werk pas rond de jaren 1978-1979, aan het einde van mijn studie. Op Rust en Werk kende ik ook al veel jongens inmiddels (drugs), alleen ben ik nooit naar Rust en Werk geweest. Toen ik voor het eerst Rust en Werk aandeed was ik meteen verkocht. Achteraf gezien vind ik het heel jammer dat ik niet eerder, 1996-1967, daar bent heen gegaan. Ik ging naar Rust en Werk eigenlijk op aandringen een vriend van me, Adjie. Ik heb hem opgevangen omdat hij ergens bonje had en hij woonde bij mij in aan de Wilhelminastraat waar ik een huis huurde. Adjie was in dat dorp een goede bekende in zowel “goede” als “slechte” zin. Rust en Werk telde zo ongeveer 40 a 50 huizen. Ik logeerde bij een zwager en zus van Adjie en ook bij de familie Sulijan Modiwirdjo. Ik kon vaak mee vissen op zee en ook garnalen vangen. Als we op de zaterdag uitvoeren om garnalen bij Leonsberg te vangen verkochten we soms de buit op de markt. Collega’s die mij zagen in mijn blote voet die keken met mond vol tanden. Uiteindelijk heb ik samen met Adjie voor de hobby een boot met zes garnalennetten en een 40pk buitenboord motor aangeschaft. Dit betekent dat ik elke weekend voortaan op Rust en Werk zit. Inderdaad om te rusten en werken (garnalen vangen). En zo totdat ik naar Nederland ging. Ook op polder, dat is het achterland van rust en Werk, te vissen en Jagen. Jagen doe ik meestal met Kasir samen hij is een jongere broer van Taras. Ook ga ik soms alleen trapoen vissen. Wel is het zo dat velen van de dorpelingen me gewaarschuwd had dat je maar niet alleen bij bepaalde plekken moet zijn. Ze zeggen dan “Kowe iku durung keplayon” Paul. Er werd mij verteld dat op sommige (dicht bij een heel oude begraafplaats ik weet niet of het uit de slaven tijd was) plaatsen spookte.
Bij de uitreiking van het diploma werd het de STVS opgenomen. Toen ik slaagde heb ik ook niemand in het dorp verteld (mijn ouders vertelde ik ook niet dat ik studeerde, ze hoorden van de winkelier dat ik slaagde). Op een ochtend hoorde ik alle dorpelingen zeggen “Paul kowe ning tv mau mbingie”. Waar ik grappende wijs afwentelde met de woorden: Loh aku yo ora pas toh melbu ning tv. Er volgde altijd een hilarisch gebaar. Zo kwamen de dorpelingen erachter wie ik infeite ben. Zo moest ik mijn anonimiteit wel prijs geven en aan hen vertellen waar ik werk en wat ik allemaal doe.
Voor ik naar Nederland vertrok nam ik afscheid van de bewoners en bij die afscheid vroeg Lurah Bapak Haroen mij om een vergevennis om het feit dat hij de dorpelingen iets nefgatief over mij had gewaarschuwd welke hij mij op basis van mij uiterlijk had beoordeeld. Ik wist helemaal niet dat het zo was gegaan. Door mijn uiterlijk(krullend langhaar, bebaard en besnord, onverzorgd uitziend), was voor Pak Lurah Haroen aanleiding geweest om de dorpelingen te instrueren dat zij Adjie en mij extra in de gaten moeten houden. De bezorgdheid van pak Haroen was gefundeerd om het feit dat Adjie al bekend stond als een moeilijk figuur was, en ik met mijn uiterlijk het nog een graad erger zou zijn. Bapak Haroen zei ook dat hij erop aangedrongen had dat bapak Sulijan om ons uit het dorp te weren. Maar bapak Suljian vertelde in mijn bijzijn dat hij ons ook had uitgelokt door geld en sieraden onachtzaam te laten staan maar het blijkt dat alles nog altijd netjes op zijn plek zat. Zo kwam hij ook tot de conclusie dat Adjie en ik lieden waren die te vertrouwen waren.
Lui dit zijn de kleine dingens die ervoor zorgt dat je van dat land Suriname houdt en leert waarderen als je niet meer in dat land woonachtig bent.
|